MARCELLA KLEINE    Boeken met spanning

 De P van parkeren

Duizenden kilometers rijd ik per jaar met de auto. Eerlijk waar, ik ben een echte kilometervreter. Ik rijd van hot naar her, privé of voor het werk. Lange afstanden, korte afstanden, ik draai mijn hand er niet voor om. Ik houd me daarbij netjes aan de verkeersregels. In al die jaren heb ik slechts één keer een verkeersboete gehad voor vijf kilometer te hard rijden.  Op het saaie af dus.

Je zou denken dat ik met zoveel kilometers op mijn teller een topchauffeuse ben, maar niets is minder waar. Naar een onbekende stad rijden, is geen probleem. Maar in een onbekende stad rijden? Liever niet!
Als ik er niet onderuit kan omdat ik een belangrijke afspraak heb, maak ik me niet druk over die afspraak, maar wel over dat laatste stukje door de stad.
Voordat ik op weg ga, bereid ik me grondig voor en laat niets aan het toeval over. Omdat mijn autootje niet over een elektronisch navigatiesysteem beschikt, pluis ik vooraf de route door de stad uit. Met behulp van de ANWB routeplanner teken ik een plattegrond. Printen kan ook, maar door de straten en kruispunten te tekenen, beklijft het meer. Tot slot speur ik met Google Earth de betreffende eindlocatie af om te zien, waar – en vooral hoe – ik er kan parkeren. Kom ik er niet uit, dan pak ik de telefoon om precies na te vragen hoe de situatie ter plekke is.
Hoe complex kan een mens in elkaar zitten?
Toch is die grondige voorbereiding geen garantie op succes. Onlangs viel - bij een drukke rotonde – de motor van mijn auto uit en kreeg ik deze niet meer aan de praat. Toen de wegenwacht erbij kwam en deze mijn auto zonder problemen wegreed, daagde er iets bij me. Ik had de motor zelf bij het afremmen laten uitvallen en bij het starten de koppeling niet ingetrapt. Geen wonder dat mijn auto niet startte, maar daarover hield ik wijselijk mijn mond.
Tja, een kat in het nauw maakt rare sprongen en zo voelt het rijden in een vreemde stad voor mij.

Toch jaagt één ding me nog meer de stuipen op het lijf: parkeren.
Toen ik pas mijn rijbewijs had, ging het voor de eerste keer mis. Niet met inparkeren, maar met uitparkeren na een bowlingavond in Haarlem. Terwijl de collega’s van mijn vriendje ons uitzwaaiden, zette ik zijn auto vol bravoure in z’n achteruit. Natuurlijk had ik goed achter me gekeken. Er stond helemaal niets in de weg, zeker weten. Pas toen we met veel kabaal tot stilstand kwamen, realiseerde ik me dat ik het parkeervak uitdraaide en dat alleen achter me kijken niet voldoende was geweest. Onder het toeziend oog van al die collega’s had ik een gigantische deuk gereden in de auto, die mijn vriendje net van zijn vader had overgenomen. De auto, waar zijn pa zo zuinig op was geweest. Tja, een ijzeren hek rond een boom geeft nu eenmaal niet mee.

Het bleef niet bij die ene keer. Enkele jaren later hadden wij een carport achter ons huis in Alphen aan den Rijn. Dagelijks reed ik mijn auto daar in en uit, na het aanvankelijk wel eng te hebben gevonden. Maar de terugkerende handeling, ging mij steeds gemakkelijker af.
Totdat ik zwanger was, althans daar wijt ik het maar aan. Het geluid, dat ik toen bij het uitrijden van de carport hoorde, ging door merg en been. Hoe het kan, begrijp ik nog niet, maar ik had bij het uitdraaien de auto in zijn volle lengte langs de hoek van de carport geraakt. In paniek kon ik maar één ding bedenken: direct die auto weer terugzetten in de carport, dus hupsakee in zijn achteruit! Nog maanden heb ik het schurende geluid van die vervolgactie gehoord. De groef, die al bij uit uitdraaien over de hele zijkant was ontstaan, was nu nog nadrukkelijker aanwezig.

Na al die jaren kan ik nog steeds niet fatsoenlijk inparkeren en – getuige voorgaande – ook niet uitparkeren. Als er geen parkeerplaats is waar je recht en ruim in kunt rijden, dan parkeer ik mijn auto liever verder weg, waar het wel gemakkelijk lukt. Van de zijkant inparkeren kan ik al helemaal niet en parkeergarages mijd ik. Tot die ene keer, nog niet zo lang geleden.
Met een vriendin ging ik naar Martiniplaza in Groningen. Ik kon me herinneren dat daar vlakbij een veldje was, waar je makkelijk kon parkeren. Eitje, dacht ik, en had me daarom alleen op de route voorbereid en niet op alternatieve parkeerplekken. Het veldje was echter niet terug te vinden in het donker. Ik had geen andere keus dan de P-borden van Martiniplaza te volgen. Tot mijn ontzetting werd ik naar een parkeergarage geleid, waarvan het parkeerdak gesloten was. De parkeerwachters dirigeerden me naar de ingang van de garage. Grote paniek! Bij mij, niet bij hen.
Ik draaide het autoraampje open, stak mijn bovenlijf en zwaaiende armen naar buiten en riep theatraal: ‘Néé! Dat durf ik niet!’
De ene parkeerwachter keek de andere  aan. Ik hoorde hem denken ‘een vrouw achter het stuur’, maar de ander had waarschijnlijk een vrouw met een parkeerfobie. Begripvol deed hij de slagboom naar het dak open en sloot deze direct achter mij. Zo belandden wij in luilekkerland. Een heel dak met lege parkeerplaatsen. Voor ons alleen! Al parkeerde ik mijn auto dwars, het kon gewoon!
Wij voelden ons de koning te rijk en lachen er nog regelmatig om.

Zo heb ik nog veel meer gekke parkeercapriolen meegemaakt.

Afgelopen zomer besloot ik dat het maar eens over moest zijn met mijn parkeerfobie en reed ik – met kloppend hart – samen met mijn dochter een parkeergarage in Almere in. Wel slim van mij om mijn fobie daar aan te pakken. Een nieuwe parkeergarage betekent immers ruime plaatsen.  
Zo waar, het parkeren ging moeiteloos. Wat voelde ik me triomfantelijk, ik had mezelf overwonnen!
Optimistisch gestemd togen we, na het winkelen, de parkeergarage weer in om de auto op te halen. Bij het uitdraaien van het parkeervak keek ik alle kanten op en concludeerde  dat ik maar één richting op kon. Makkie. Ik stopte bij iets, wat op een poortje leek, maar kon er niets met mijn parkeerkaartje. Niets aan de hand, de slagboom ging toch omhoog. Ik gaf een dot gas en hoorde op datzelfde moment een roepende stem vanuit een luidspreker. Was dat tegen mij? Geen idee wat er aan de hand was. Onnozel reed ik door, langs de remmende automobilist, voor wie - zoals ik nu begreep - de slagboom was opengegaan. Ik had de parkeergarage via de ingang verlaten.
Ontzet, maar tegelijkertijd dubbel liggend van het lachen, hebben mijn dochter en ik onze reis naar huis voortgezet. Het parkeerkaartje ligt nog als stille getuige in mijn auto.

Je vraagt je misschien af, hoe het kan dat iemand met zoveel kilometers op haar conto niet kan inparkeren. Misschien ligt de oorsprong daarvan in mijn jeugd toen ik met mijn moeder meeging naar de rechtbank in Haarlem. Zij moest daar de voogdijschap over haar kinderen regelen, na het veel te vroege overlijden van mijn vader. Mijn moeder reed in de Ford Taunus van mijn vader, een slee van een auto. Te groot voor de te krappe parkeerplaatsen van parkeergarage De Raaks. Nooit meer zal ik vergeten hoe ze bij het inparkeren de betonnen paal raakte. De missie, die we in Haarlem te vervullen hadden, was al zwaar, maar dit – mijn vaders auto beschadigd – maakte het loodzwaar.

Het is de schrijfster in mij, die graag dramatiseert, altijd op zoek is naar een reden – een motief, een oorzaak – en daarom mijn parkeerfobie graag toeschrijft aan dit voorval uit mijn jeugd.
Of is het de schrijfster in mij, die een gebrek aan ruimtelijk inzicht te banaal voor woorden vindt?

Deze column werd eerder gepubliceerd op DeThrillerlezersblog 

TerugVerder